De site maakt gebruik van zijn eigen technische cookies, analytische cookies van anonieme derden en cookies van derden die kunnen worden gebruikt voor profilering: u gaat akkoord met het ontvangen van cookies als u een element/gedeelte van de site buiten deze banner bekijkt. Klik hier als u meer informatie wenst of toestemming voor cookies wilt weigeren.

Rodelen: moed en hoge snelheden

TWINTIG JAAR IN EEN SLEE DUURT EEN OGENBLIK. Armin Zoeggeler


Playlist
Om de woorden van Zoeggeler volledig te begrijpen, kijkt u best gewoon naar een race en ziet u hoe de rodelatleten met een snelheid van 140 km/h als kogels door de lucht vliegen: Waanzin als we denken dat deze atleten alleen beschermd zijn door een aerodynamisch pak, een helm en hun eigen moed. Dwaas, misschien, maar zeker dapper.

Rodelen, bobsleeën, skeleton ... de sportdiscipline verandert maar snelheid blijft een van de belangrijkste ingrediënten die deze wedstrijden zo opwindend maakt. Jammer genoeg kan ze ook fataal zijn: we herinneren het tragische einde van de Georgische atleet Nodar Kumaritashvili, die in 2010, in Vancouver, met een snelheid van ongeveer 145 km/h uit het circuit geslingerd werd.

Een andere atleet registreerde tijdens een trainingssessie rodelen de snelheid van 154 km/u. Dat was toen de snelste run ter wereld.

Rodelaars zien eruit als kleurrijke stippen op het witte ijs, bijna impressionistische vlekken die de camera's maar moeilijk kunnen volgen. Snelheid wordt nog extremer door de afwezigheid van remmen. Een van de bijzonderheden van het rodelen is immers dat het geen remsysteem heeft, hetzelfde geldt voor het skeleton, terwijl de bobslee wel remmen heeft, maar die kunnen alleen na de finishlijn gebruikt worden.

Maar alles op zijn tijd, laten we eest proberen te begrijpen wat rodelen juist is en welke verschillen er zijn met zijn naaste verwanten: skeleton en bobslee.

Rodelen

Een korte geschiedenis
Het begon met een slede of slee. Een echt historisch vervoermiddel, waarvan de oorsprong teruggaat tot de VII-IX eeuw voor Christus op het platteland bij Oslo. Zoals met vele wintersporten, is het gebruik daarom nauw verbonden met het dagelijkse leven van die periode.

In de koude Noord-Europese landen was rodelen in feite het enige verplaatsingsmiddel, dat onmiddellijk op grote schaal werd gebruikt vanwege zijn bruikbaarheid en relatieve eenvoud. Rodelen verschijnt in de 16de-eeuwse Scandinavische kronieken en in de valleien van Erz in Noorwegen. Tsjechische mijnwerkers gebruikten het om de vallei af te dalen.

Volgens historisch bewijsmateriaal werd een van de eerste uitdagingen betwist op de ijskoude heuvels van Sint-Petersburg in de 18° eeuw. En het was nog steeds in 1700 dat de eerste rudimentaire kunstmatige banen gemaakt werden, in St. Petersburg en Berlijn. De discipline verspreidde zich vervolgens naar Noord-Europa en Zwitserland, en in 1883 hield Davos de eerste officiële race, waaraan 21 atleten deelnamen. De eerste Wereldkampioenschappen vonden plaats in 1955: 52 atleten voor 8 landen, gehuisd in de Noorse hoofdstad Oslo, die traditioneel de thuisbasis van de slee is.

De erkenning van het rodelen als een officiële discipline kwam in 1957, met de oprichting van de Internationale Federatie (FIL), en de introductie bij de Olympische Spelen van Innsbruck in 1964.

De piste
Als we het over rodelen hebben, denken we meteen aan wat er zich op de kunstmatige helling afspeelt, ook wel een run genoemd. De banen worden gekenmerkt door lange rechte stukken, parabolische bochten en vaak zelfs kreisel. Deze circuits in metselwerk gebouwd, voor de race wordt het bouwwerk bedekt met sneeuw die vervolgens wordt bevochtigd om de ijslaag te vormen. De lengte van het parcours moet ten minste 1000 meter zijn voor mannen en 800 meter voor dameswedstrijden, met een maximale stijging van 12%. Ze kunnen al dan niet zijn uitgerust met een koelsysteem.

Er zijn ook voorbeelden van natuurlijke ijsbanen die worden gecreëerd door het ijs op de baan te graven, aan te passen en vorm te geven: de beroemdste is zonder twijfel de Cresta Run van Sankt Moritz. Maar er zijn ook andere soorten runs: de natuurlijke, waarvan de banen op bestaande paden of bergwegen gevormd zijn; over het algemeen kan elke bosweg met een bepaalde helling een rodelbaan worden. In tegenstelling tot andere typen hellingen, zijn de bochten niet parabolisch maar gewone haarspeldbochten, die om veiligheidsredenen aan de rand met houten planken beschermd worden. Enkel natuurlijke koeling. De lengte varieert van 700 tot 1200 m.

Ten slotte is er ook een parcours dat op asfaltsporen slingert: een reeks kleine rollen vervangt de messen van de schaatsen.

De race
De snelheid maakt het verschil in rodelwedstrijden die niets anders zijn dan races tegen de chronometer: degene die de baan in de kortste tijd aflegt, wint. Bij alle rodelcompetities rennen de atleten, de ene na de andere, op hetzelfde parcours; aan het einde van de competitie worden de tijden behaald door deze atleten in elke heat van de race, bijeengeteld.

In individuele competities, starten de atleten uit een zittende positie bovenaan de helling. In het begin zwaaien de concurrenten de slede een paar keer heen en weer, waardoor ze zichzelf een vliegende start van een paar meter geven; vervolgens strekken ze zich met een spong vooruit over de slee en beginnen ze aan de afdaling. Bij de mannen dubbelrodel, duwt de atleet zich bovenaan de starthelling met twee vaste handvatten, terwijl de tweede atleet zijn handen in riemen steekt die hem met de atleet vooraan verbinden. Deze stuwkracht is in beide gevallen essentieel om snelheid te winnen.

De afdaling is alleen mogelijk als u in een zittende of liggende positie op de slee blijft en uw voeten naar voren houdt, maar toch blijven de atleten zo veel mogelijk in een horizontale positie, om maximale aerodynamiciteit te zoeken en de slede langs de baan te begeleiden door hun lichaamsgewicht naar rechts of naar links te bewegen om meer op de ene of op de andere schoen te wegen en met hun voeten op het gebogen deel van de schoen te werken, dat flexibel is. Om bijvoorbeeld een bocht naar links te maken, moet u uw rechtervoet, linkerschouder en beide handen gebruiken.

Tijdens de afdaling is het verplicht in aanraking met de slee te blijven, zelfs in het geval van een botsing tegen de wanden van de baan of bij kantelen, op straffe van diskwalificatie; het is ook verboden te duwen, behalve in de startfase, genaamd "duwfase", of delen van de race te lopen. Zonder slee aan de finish komen, betekent diskwalificatie, maar het is toegestaan om tijdens de afdaling te stoppen en de race te hervatten. Zodra de finishlijn gepasseerd is, staat de atleet op door op de punt van de schaatsen te drukken en zo de slee af te remmen.

De verschillende specialiteiten (enkel, dubbel, estafette en sprintraces) lopen op dezelfde baan en volgen altijd hetzelfde basisprincipe van de competitie, hoewel ze in een aantal specifieke regelgevende details van elkaar verschillen.

Het toestel
De slee is uitgerust met zeer resistente hout- en metaallegeringen, met een aerodynamische en verlaagde structuur die luchtwrijving minimaliseert. Het bestaat uit twee vlakken onder de zitting en verbonden aan de schaatsen door middel van ronde metalen messen, voor een maximaal glijvermogen op het ijs en voor de veiligheid van sporters.

Het is interessant op te merken dat ook de temperatuur van de messen nauwkeurig wordt geregeld: de schaatsen mogen niet verwarmd worden omdat dit de wrijving van de messen op het ijs zou verminderen. De temperatuur van de messen wordt 30 minuten vòòr het begin van de race gemeten en de controle wordt om de 15 minuten herhaald; men neemt een mes met een lengte van 50 cm als referentie voor de temperatuur: dit mes wordt uit de zon en wind bewaard.

De slee heeft ook twee handgrepen die de atleten sterk vastgeklemd houden tijdens de afdaling. De maximale breedte van de rodelbaan is 55 cm, de afstand tussen de twee messen mag niet groter zijn dan 45 cm en het gewicht moet onder de 23 kg liggen bij enkelrodel en 27 kg voor dubbelrodel. Ook de atleten worden voor de race gewogen: het maximaal toegestane gewicht is 90 kg, inclusief ballast en kleding. Bij dubbelrodel is het maximumgewicht 180 kg. Lichtere concurrenten mogen ballast (schijven of loodgordels) onder het pak toevoegen, maar het is ten strengste verboden om gewicht toe te voegen aan de slee.

Wat de kledij betreft, dragen rodelaars een integraal pak dat in één stuk is genaaid en zo strak mogelijk is gemaakt voor aerodynamica. Het wordt altijd vergezeld door een paar FIL goedgekeurde sleeschoenen. Elke atleet moet verplicht een speciale helm dragen, die is goedgekeurd door de Federatie. De helm is altijd uitgerust met een vizier, meestal gemaakt van transparant plastic, maar sommige atleten geven de voorkeur aan een gekleurd vizier om hun ogen te beschermen en het zicht te verbeteren.

Handschoenen met spijkertjes vervolledigen de kleding: de kleine spijkers van vijf millimeter lang worden tijdens de startfase gebruikt om voldoende grip op het ijs te hebben wanneer de atleet de slee aan het begin van de baan afzet.

Skeleton

Een korte geschiedenis
We kunnen dit beschouwen als een niet te verre neef van de het sleerijden. De oorsprong ervan gaat terug naar het einde van de 19° eeuw in de stad St. Moritz. Hier werd in 1885 de Cresta Run gebouwd: een natuurlijke ijsbaan van 1214 meter lang, nog steeds beschouwd als de meest prestigieuze afdaling voor deze sport. In 1887 begonnen de deelnemers aan deze race in een vooroverliggende positie af te dalen, de uitvinder van deze variant was de Engelsman McCormac. Zijn downhill-tijd was veel korter, in feite maakte de positie die hij gebruikte een hogere downhill-snelheid mogelijk, dankzij de grotere aerodynamica. De skeleton was geboren.

De naam van de discipline werd later gegeven, die dateert in feite uit 1892 toen een nieuw type rodel werd geïntroduceerd, hoofdzakelijk bestaande uit een metalen frame dat aan de structuur van het menselijk skelet herinnerde.

Gedurende tientallen jaren, vonden de skeleton competities enkel plaats in St. Moritz. Het is geen toeval dat het skeleton in het Olympische winterprogramma werd opgenomen van beide edities van de Spelen georganiseerd door Zwitserland in 1928 en 1948. Vanwege zijn gevaarlijkheid en niet geschikte hellingen bleef deze sport meer dan vijftig jaar afwezig van de Olympische scène, en werd hij opnieuw geïntegreerd in het Olympische programma vanaf Salt Lake City 2002.

Races en uitrustingen
Skeleton verloopt op dezelfde manier als rodelen en bobsleeën. De races zijn tijdsgebonden, dat betekent dat de atleet zo snel mogelijk de kunstmatige ijsbaan moet afleggen. Net zoals bij rodelen zijn er verschillende runs met verschillende startvolgordes. De start is hetzelfde als bij bobsleeën. Zodra het groene licht aangaat, heeft de skeletonner maximaal 30 seconden tijd om te vertrekken. Na de race/stuwfase, die varieert van 25 tot 40 meter, neemt de atleet zijn plaats in op de slee en begint zijn afdaling. Na de finishlijn, loopt het pad heuvelopwaarts om te remmen. De positie van de skeletonner is met het gezicht naar beneden. Sporters moeten op hun buik liggen, met het gezicht stroomafwaarts en de armen langs het lichaam. Dit is absoluut het grootste verschil ten opzichte van rodelen. De snelheid die ze bereiken kan oplopen tot 130/140 km/h. De slede mag alleen door de duwkracht van de atleet en de zwaartekracht bewogen worden. Om richting en beweging te beïnvloeden mag men alleen de drukkracht gebruiken: de samentrekking van een spier is voldoende om een wijziging te bepalen.

De slee die bij skeleton gebruikt wordt, heeft een stalen frame en het bovenste gedeelte is gevoerd voor het comfort van de atleet. Ook de schaatsen zijn van staal vervaardigd en hebben een vaste diameter van 16 mm. Het totaal gewicht van het skeleton mag niet meer dan 33 kg zijn voor mannen en 29 kg voor vrouwen, terwijl de lengte tussen de 80 en 120 cm bedraagt, en de hoogte van 8 tot 20 cm zal zijn. De afstand tussen de twee runners moet tussen de 34 en 38 cm zijn.

Het uniform van de skeletonner omvat helm, pak en schoenen, terwijl de atleten een zeer lichte, aerodynamische helm dragen. Aerodynamische bijbehoren zijn niet toegestaan in het trainingspak. Het schoeisel kan maximaal 8 puntjes hebben, 7 mm lang en 2 mm diameter, om het ijs op de baan niet te beschadigen. Het totaal gewicht, slede en atleet mag niet meer zijn dan 115 kg voor mannen en 92 kg voor vrouwen. Om het maximum totaal gewicht te bereiken, kan u ballast aan de slede toevoegen. Ballast toevoegen aan het lichaam van de atleten is verboden. Alle stuur- en remelementen van de slede zijn verboden, evenals eventuele hydraulische en pneumatische installaties.

De belangrijkste competities, naast de Olympische Spelen, zijn de Wereldbeker en het Wereldkampioenschap. De internationale wedstrijden waren aanvankelijk alleen toegankelijk voor mannen, maar tussen het einde van de jaren 1990 en 2002 kleurde de skeleton roze en konden vrouwen de wereld van deze sport betreden.

Bobslee

Een korte geschiedenis
Vaak zet cinema sport in de kijker. Dit was het geval voor de bobslee, dankzij de film Quattro sotto zero, over de deelname van het Jamaicaans bobsleeteam aan de Olympische Spelen van Calgary in 1988. De discipline van het bobsleeën was in feite al bekend bij het publiek, maar deze film had de verdienste om het nog dichter bij het volk te brengen, waardoor die ijsatleten menselijker werden.

De sport werd uitgevonden in de jaren 1880 in Albany (New York) en vervolgens naar Zwitserland gebracht. De eerste races werden gehouden op besneeuwde wegen en de eerste wedstrijden vonden plaats in Davos in 1883 en St. Moritz in 1884. De eerste club ontstond in 1897 en de eerste piste die specifiek voor bobslee gebouwd werd, werd geopend in 1902. Aanvankelijk bestonden de crews uit 5 of 6 mensen, maar vervolgens werden ze verminderd tot 2 of 4 in de jaren 1930. De bobsledes waren volledig uit hout vervaardigd en nadien werden de stalen sleden geïntroduceerd.

De Fédération Internationale de Bobsleigh et de Lugeing (FIBT), tegenwoordig bekend als de International Bobsleigh & Skeleton Federation (IBSF), werd opgericht in 1923 en deze sport maakt sinds de eerste editie in 1924 deel uit van het Olympische Winterspelenprogramma. Aanvankelijk was de competitie enkel voor viermansbob. Tweemansbob werd in 1932 toegevoegd, terwijl de vrouwenwedstrijden hun Olympische debuut in 2002 maakten. Duitsland is het land dat de meeste successen heeft behaald op het gebied van bobsleeën, waaronder de Europese en Wereldkampioenschappen, het WK en de Olympische Spelen.

De piste
Het parcours voor internationale races is minstens 1500 m lang (1200 m in het geval van banen met kunstmatige koeling) en omvat ten minste vijf bochten waarvan de straal groter moet zijn dan 25 m. Elke bocht is samengesteld uit een extern verhoogd oppervlak, verbonden met de inkomende en uitgaande rechte lijn door middel van een hellend vlak genaamd 'lepel', dat wordt gebruikt om de overgang van de horizontale naar de verticale positie te vergemakkelijken. Het bovenste deel van de verhoogde bochten is hol zodat de bobslee, aangedreven door de middelpuntvliedende kracht, niet uit de baan wordt geslingerd. De bodem van de baan is gemaakt met geslagen sneeuw en wordt 's nachts bewaterd, zodat een dikke laag perfect glad ijs ontstaat. De introductie van kunstmatige koelsystemen (het eerste werd in Königssee in Duitsland gebouwd in 1968) betekende een revolutie in de sport, waardoor atleten in elk seizoen konden trainen.

De startlijn bestaat uit een houten plank die de ingang van de baan markeert. Er zijn drie fasen in het eerste deel van de race: a) de eerste komt overeen met een bijna vlak gedeelte (ongeveer 1% helling) van 15 m lang, gevolgd door een andere, van ongeveer 50 m lang, waar de timing begint; in deze sectie begint de bobslee, onder de impuls van een gecoördineerde en krachtige actie snelheid te nemen; (b) de tweede komt overeen met een hellend vlak, waar de bobslee versnelt onder het effect van de zwaartekracht; (c) de derde is het gedeelte waar de slede de hoogst mogelijke snelheid bereikt.

De race
Een tweemansbobslee-ploeg is samengesteld uit een piloot en een remmer, waaraan in de viermansbobslee "duwers" worden toegevoegd, die vooral moeten helpen bij het duwen. Het is niet ongebruikelijk dat atleten, met name sprinters, gebruikt worden als zijduwers. Aan het begin van de race duwt de bemanning de bobslee vijftien meter voordat ze aan boord springen. Deze sequentie is uiterst delicaat en belangrijk, zowel omdat het positieve energie moet geven en de bob niet achteruit mag trekken, en omdat de atleten zeer snel moeten inspringen terwijl ook de balans van de massa's moet gerespecteerd worden. Ze moeten zich met uiterste precisie in de slede zetten, zonder het traject van de bob negatief te beïnvloeden, die op dat moment buiten de sporen en dus zeer gevoelig is.

Aan het einde van de race, wanneer de bobslee de maximale snelheid heeft bereikt, springen de atleten letterlijk op de bobslee met perfect gecoördineerde bewegingen; elke persoon glijdt langs de rugleuning en eindigt in een zittende positie. De bestuurder neemt zijn positie in met zijn handen op de stuurhendel.

Tijdens de afdaling bestuurt de eerste bobsleerijder het voertuig door het stuur te controleren met de trekstangen voorzien van een handvat: hij is het hoofd van de bemanning en moet over uitzonderlijke koelte, visuele waarneming en reflecties beschikken. De laatste man, de zogenaamde remmer, moet samen met de bestuurder, de initiële stuwkracht van de 15m voor de startlijn aan de bob doorgeven; hij raakt de remmen pas na de aankomstlijn aan, om de slede gemakkelijker te doen stoppen. Bij viermansbobslee, werken de andere twee atleten samen bij het duwen aan het begin en proberen zij de slede tijdens de afdaling met haarfijne lichaamsbewegingen langs het ideale traject te houden. Voor een geldige afdaling, moet de bemanning compleet zijn wanneer de bobslee de finishlijn kruist. De races worden uitsluitend in de vorm van tijdritten gehouden; er rent één ploeg tegelijk, volgens een volgorde die door het lot wordt getrokken. De ranglijst wordt bepaald door de som van de downhill-tijden (in honderdsten van een seconde) verkregen in twee of vier races, afhankelijk van de weersomstandigheden en de baanomstandigheden op het moment van de race. Vrouwen nemen pas sinds 2002 deel.

De snelheid in de duwfase is ongeveer 40 km/h; de maximale snelheid in een afdaling is ongeveer 135 km/u; in sommige bochten wordt de bemanning onderworpen aan laterale versnellingen gelijk aan vijf keer de versnelling van de zwaartekracht (5g).

Het toestel
De bobslee bestaat uit een metalen frame gemonteerd op twee paar stalen schaatsen en overdekt met een gestroomlijnde kap, uitgerust met zijhandgrepen om het starten te vergemakkelijken door te duwen. Het voorste paar remblokken kan worden gedraaid door middel van een systeem van katrollen en trekstangen met handgrepen en maakt het mogelijk om zelfs bij zeer hoge snelheden met de slede te rijden; het achterste paar is uitgerust met remhendels die met een reeks metalen tanden op het ijs inwerken. Moderne bobsledes combineren lichtmetaallegeringen, stalen skids en aerodynamische composietbehuizingen. Wedstrijdbobsledes moeten een maximale lengte hebben van 3,80 meter voor de viermansbobslee en 2,70 meter voor de tweemansbobslee. In beide gevallen is de maximale breedte 0.67 meter. Het maximaal gewicht (inclusief de bemanning) is 630 kg voor de viermansbobslee en 390 kg voor de tweemansbobslee. Er kunnen ballastgewichten toegevoegd worden, om het maximum gewicht te bereiken; hoe groter het gewicht, des te sneller is immers de slede.

De kleding van de atleten is vergelijkbaar met die van de andere disciplines waar we het over gehad hebben en bestaat in wezen uit een aerodynamische helm en een aerodynamisch pak van ongecoat technisch materiaal. De schoenen moeten kleine puntjes hebben die gebruikt worden om grip te houden op het ijs tijdens de duwfase; de maximale diameter moet 1.5 mm zijn en de lengte mag niet meer dan 5 mm zijn.